Uit veel onderzoek blijkt dat het aantal museumbezoeken van jongeren de laatste jaren weliswaar stabiel is en zelfs iets stijgt - uitgezonderd de coronaperiode natuurlijk, maar dat de beleving over een dergelijk museumbezoek al zeker twintig jaar(4) fors aan het dalen is. Jongeren vinden musea saai - ondanks bijvoorbeeld de digitaliseringsslag die veel musea hebben (door)gemaakt - en lopen 'verplicht' met hun ouders of leraar langs, in hun ogen, stoffige schilderijen en beelden.

Voor ons aanleiding om eens na te denken hoe je jongeren enthousiaster kunt maken voor beeldende kunst. Daarbij maken we gebruik van het RETINA-onderzoek van de KULeuven en het verslag van Branddoctors, die zich focussen op min of meer dezelfde vraag. Het resultaat van ons 'denkproces' tref je vanaf november '22 aan in ons trainingscentrum in Winterberg, waar we een heuse Kunstmuur aan het inrichten zijn met laagdrempelige en humorvolle kunst. Met vaak controversiële kunstobjecten en designer toys proberen we jongeren een mening over kunst te ontlokken. De gekozen objecten balanceren vaak op het randje van kunst en kitsch en vaak ook op het randje van plagiaat en parodie.


Achtergronden en verantwoording

(1) De gekozen beelden in de kunstmuur balanceren vaak op het randje van kunst en kitsch en vaak ook op het randje van plagiaat en parodie. Kwam het idee van een obscene tuinkabouter van Ottmar Hörl (zie boven), van Paul McCarthy (Amerikaanse kunstenaar), of toch van onze Nederlander Rien Poortvliet? Of is de tuinkabouter - in al zijn vormen - een fenomeen dat al sinds de 19e eeuw bestaat? Waren de ballondieren van Jeff Koons een oorspronkelijk idee en zijn Masayoshi Matsumoto, Niloc Pagen en Sebastian Burdon - om er maar een paar te noemen - met het idee aan de haal gegaan? Of is het maken van ballonfiguren al bijna 100 jaar gemeengoed - toen de latex ballon werd uitgevonden door Neil Tillotson? Wie het weet mag het zeggen. Met prikkelende kunstobjecten en designer toys proberen we jongeren een mening over kunst te ontlokken.

(2) Overigens, wat ons betreft hoeft hedendaagse kunst niet persé een diepere lading te hebben of iets verhevens te zijn, het mag ook ‘entertainen’. We hebben altijd wat moeite met de gedachte dat kunst eerst en vooral een kritische reflectie dient te zijn op actuele ontwikkelingen of dat kunst op z'n minst maatschappelijke relevantie moet hebben. Het zijn veel gehoorde antwoorden op de vraag naar het 'waarom' van kunst en we vinden dat we de kunst er geen dienst mee bewijzen. Velen die er verstand van hebben, spreken over highbrow en lowbrow kunst. Highbrow kunst zou de 'ware' hedendaagse kunst zijn - dat door de massa (nog) niet wordt begrepen... Maar wat is het nut om musea of de openbare ruimte vol te pakken met highbrow kunst?

(3) Laten we even terug gaan in de tijd, want dan zien we dat het 'waarom' van kunst een betrekkelijk modern vraagstuk is. Tot en met de 18e eeuw werd kunst vooral in toegepaste zin geproduceerd: voor de kerk, ter verfraaiing van gebouwen en voor de rijken met profilering neurose of gehecht aan traditie. Pas tijdens de Romantiek ontstond het idee van de kunstenaar als zelfstandig scheppend individu en werd er gedelibereerd over de zin van kunst. Gaandeweg is de culturele elite er over eens geworden dat ware kunst maatschappelijke relevantie moet hebben. Kunst moet ‘schuren’ en het dient het publiek ‘wakker te schudden’. De kunstenaar als luis in de pels die de samenleving een spiegel voorhoudt. Dit veronderstelt dat kunstenaars over inzichten beschikken die wij – ‘de massa’ - niet hebben. Natuurlijk zijn er scherpe denkers onder kunstenaars, maar we dichten wellicht teveel waarde toe aan het kunstenaarschap c.q. de kunstenaar.

(4) Twintig jaar geleden waren er al onderzoeken waaruit bleek dat de beleving van jongeren over museumbezoeken aan het dalen was. Bijvoorbeeld: Jacobs, M. (2001) ‘De meest waarschijnlijke verklaring voor een positieve invloed van leeftijd op tevredenheid is het feit dat de meeste jongeren musea als saai en duf zien.’ Smallenburg, S. & Vinckx, Y. (2005) ‘Het gros van de rijksmusea is te voorspelbaar.’ ‘Het zijn veelal jongeren die zeggen musea niet spannend te vinden.’ Feitelijk is er in de afgelopen twintig jaar - ondanks bijvoorbeeld de digitaliseringsslag die veel musea hebben (door)gemaakt - niet veel verbeterd in de beleving van jongeren over museumbezoeken.

(5) Ongeveer de helft van de omzet van musea bestaat uit eigen inkomsten. De andere helft uit subsidies. Met een bijdrage van circa 250 miljoen euro per jaar is het Rijk de belangrijkste subsidiegever op nationaal niveau. Na het Rijk volgen de gemeenten met een bijdrage van circa 200 miljoen euro. De overige subsidiebedragen zijn relatief beperkt. De vraag die opdoemt is: 'Zijn deze subsidies doelmatig, doelgericht en doeltreffend?' Onze mening? Wij denken van niet, Nederland heeft domweg te veel musea!