Aan het eind van de 16e eeuw zien we de christelijke theosofie in Duitsland ontstaan als bakermat van de Europese esoterie. Bij het woord 'theosofie' denkt men meestal aan de stelsels van Helena Petrovna Blavatsky (†1891) of Rudolf Steiner (†1925). Hun stelsels zijn pantheïstisch van aard ('God bevindt zich in alles'). De theosofie die wij hier bespreken is echter theïstisch van karakter en houdt vast aan de christelijke voorstellingen van schepping en verlossing van de wereld en de mensheid door God. De belangrijkste bronnen van de christelijke theosofie zijn:
het gedachtegoed van Maarten Luther en de radicale vleugel van de Reformatie;
de Navolging van Christus (Imitatio Christi) met betrekking tot de Bergrede en de uitwerking hiervan op de christelijke mystiek;
de fascinatie voor neoplatonisme, alchemie, mystiek, gnosis, hermetisme en kabbala;
de christelijke gnosis over de wederkomst van Christus en het duizendjarige vrederijk.
In de christelijke theosofie zijn drie tijdvakken te onderscheiden. De eerste periode start aan het begin van de 17e eeuw. Belangrijke vertegenwoordigers zijn onder meer Johann Arndt en Jakob Böhme. Arndt werd beïnvloed door de mystiek van de Theologia deutsch, Thomas van Kempen en Johannes Tauler. Van deze en andere werken compileerde hij Vier Bücher vom wahren Christentum (vaak bekend als de Vijf Boeken), die met zijn Paradies-Gärtlein tot de meest succesvolle devotiegeschriften in Europa behoren. In deze 'bestsellers' bepleitte hij een heropleving van een praktisch en vroom christendom en gaf daarmee voeding aan de Nadere Reformatie in Nederland en het piëtisme in Duitsland. Böhme liet zich inspireren door onder meer Nicolaas van Cusa, de alchemist Paracelsus en Kaspar Schwenckfeld (lid van de radicale vleugel van de Reformatie). Latere theosofen herkenden in het werk van Böhme hun eigen geestelijke ervaringen, waardoor hij een inspirator werd voor filosofen als Hegel, Swedenborg en De Saint-Martin. Het enthousiasme voor neoplatonisme, alchemie, mystiek, gnosis, hermetisme en kabbala werd aangewakkerd door de 'Leer van Hermes Trismegistus'. Men zag hierin de Prisca Theologia: de universele wijsheid die aan de christelijke traditie zou zijn voorafgegaan.
De tweede periode begint in de tweede helft van de 17e eeuw en eindigt in het midden van de 18e eeuw. Het enthousiasme voor het 'occulte' tempert. Deze periode kenmerkt zich vooral door radicalisering en separatisme, de navolging van Christus (naar de leefregels uit de Bergrede) en de gnosis over de wederkomst van Christus. Velen waren ervan overtuigd dat het 'ware christendom' slechts kon worden beleden buiten de gevestigde kerken. Zij vormden zogenoemde Philadelphische ('broederlijke') gemeenschappen, zoals de Vlaamse Antoinette Bourignon de la Porte en de Engelse Jane Leade. Belangrijk zijn ook Jeanne-Marie Guyon du Chesnoy (Madame Guyon) en Pierre Poiret; zij waren de belangrijkste representanten van het quiëtisme. Poiret woonde en werkte in Amsterdam en later in Rijnsburg, waar hij zich wijdde aan de publicatie van zijn eigen werken en die van geestesgenoten. Daarnaast waren er grote groepen gematigden die geïnspireerd werden door de mystiek van Arndt, Tauler of Madame Guyon. Ook Gottfried Arnold, een Duitse piëtistische theoloog en de belangrijkste vertegenwoordiger van het radicale piëtisme, mag niet onvermeld blijven.
De laatste periode van de christelijke theosofie is die van de romantiek. Deze start in de tweede helft van de 18e eeuw, wanneer radicalisering en separatisme naar de achtergrond verdwijnen. De theosofische geschriften van onder meer Jakob Böhme worden voortgezet in het werk van de Franse filosoof Louis-Claude de Saint-Martin en de Duitse filosoof Franz von Baader. In de tweede helft van de 19e eeuw droogt de christelijke theosofie praktisch op. Zij wordt verdrongen door het 'traditionalisme', dat het herstel van oude liturgische waarden nastreeft, en door een veelheid aan esoterische genootschappen die het domein van de christelijke theosofie min of meer claimen, zoals de rozenkruisers, de vrijmetselarij en theosofische verenigingen. Voor meer achtergrondinformatie verwijzen wij naar het boekje 'Een zoektocht naar het Ware Geloof'.
Het onderzoek naar de christelijke theosofie lijkt soms te worden beheerst door 'dogmatische' theologen. Zij ervaren de esoterische kant van de christelijke theosofie blijkbaar als 'körperfremd', aangezien zij dit aspect niet of nauwelijks benoemen. Zou de echo van Maarten Luther, die de 'spirituelen' ten tijde van de Reformatie omschreef als 'dromers en escapisten' (Schwärmer und Schwarmgeister), in de huidige tijd nog naklinken? Aan de andere kant van het spectrum zien we dat westerse esoterische studies soms 'van God los' zijn. "Niemand komt tot de Vader dan door Mij" (Johannes 14:6). Als je dat fundament loslaat, wordt esoterie wel erg abstract – bij wijze van spreken 'aapjes kijken in Artis'.
Met een heuse bibliotheek en onderzoekprojecten proberen we de christelijke theosofie meer bekendheid te geven. En hoewel we neutraal staan tegenover godsdienstige, levensbeschouwelijke en politieke stromingen, willen we wél bijdragen aan wat mensen raakt.